CHRISTENEN EN DE KERK

 

Christenen geloven in één God. Voor christenen is God Vader, Zoon en Heilige Geest. Dit noemt men de triniteit. Bovenal is God liefde. Zowel de relatie tussen God en mensen en tussen de mensen onderling bestaat op basis van wederzijdse liefde. Deze liefde tot God vindt zijn basis in de idee dat God de wereld creëerde en zo ook de mens.

In Jezus is God mens geworden. Jezus was een jood die 2000 jaar geleden in Jeruzalem leefde. Uitgaand van de leer van Mozes en van het Verbond tussen God en het Volk Israël, kwam hij op voor alle mensen, ook wie uitgesloten was (armen, zieken, vrouwen en kinderen…), ging met ze aan tafel, maakte hun situatie beter… Hij ging zo tegen de gangbare manier in waarop men met deze mensen omging. Beter gezegd: hij maakte de liefde waar, zoals God ze tussen de mensen wil zien.
Voor het bestuur van de staat betekende Jezus een gevaar. Als oproerkraaier werd Hij uiteindelijk ter dood veroordeeld en gekruisigd. Drie dagen later ontwaakte Hij uit de dood. Dat was het gebeuren bij uitstek waarom zijn volgelingen hem als de Messias zagen.

Eerst waren zijn volgelingen uitsluitend joden, maar later mochten ook niet-joden zich laten dopen en zich christen noemen. ‘Christen’, omdat Jezus de ‘Gezalfde’ wordt genoemd en in het Grieks is dat ‘Christos’.

Verschillende godsdiensten en bewegingen
Je kan de christenen van vandaag niet als één enige godsdienst zien. Kort gezegd zijn er drie grote religies: katholieken, orthodoxen en protestanten. Een eerste breuk in het christendom kwam er enerzijds om politieke redenen: de christenen in het Oosten wilden hun onafhankelijkheid. Anderzijds was er een inhoudelijke breuk: deze christenen benaderden Jezus liefst op mystieke en devotionele manier, terwijl de mensen in het Westen eerder bekommerd waren om zonde en verlossing. Beide partijen kwamen dus niet meer overeen over wat het statuut van de Geest nu precies inhield. Na het eerste Grote Schisma (1054) bleven dan twee groepen over: de orthodoxen in het Oosten en de Rooms-katholieken die hun centrum in Rome hadden.
Binnen de Rooms-katholieken kwam het, in de 16e eeuw, terug tot een breuk. Martin Luther protesteerde tegen de schakels tussen God en mensen (priesters, bisschoppen, heiligen, martelaren) die de Rooms-katholieke Kerk in het leven had geroepen. Daarom werden zijn volgelingen de ‘Protestanten’ genoemd. Centraal stond ook de herontdekking van het woord van God en van de persoonlijke relatie van iedere gelovige met God.
In 1534 maakte Hendrik VIII van Engeland de Anglicaanse Kerk los van de Rooms-katholieke Kerk. Deze Kerk van Engeland zoals ze ook wordt genoemd, werd geboren uit missieactiviteiten van Romeinse militairen en kooplieden.

In de laatste decennia komen de verschillende christelijke kerken dichter bij elkaar rond de centrale figuur van Jezus Christus en het gemeenschappelijke erfgoed (doopsel, enz.).

De laatste 60-70 jaar ontstond ook een veelheid aan nieuwe religieuze bewegingen en gemeenschappen binnen het christendom. Het gaat om mensen die het evangelie in de praktijk willen omzetten en de christelijke leer van de liefde voor elke mens vertalen naar het concrete leven van vandaag.

Enkele gemeenschappelijke begrippen en symbolen
De bijbel is het belangrijkste boek. Het is opgedeeld in het Oude Testament en het Nieuwe Testament. De bijbel vertelt de religieuze geschiedenis. Het OT geeft de verhalen weer van voor Jezus’ tijd. Deze komen grotendeels overeen met het boek van de joden. Het NT beschrijft de verhalen van Jezus’ leven en sterven. Christenen zien in dit boek dat Jezus de lang verwachtte Messias was.
Een preek is een soort lezing tijdens een viering van christenen. De pastoor (bij katholieke) of de dominee (bij protestanten) legt uit wat met een verhaal uit de bijbel bedoeld wordt.
Het kruisbeeld is centraal voor alle christenen. Het is dan ook het symbool van de dood van Jezus Christus, het symbool van een liefde die alles overstijgt.
De collecteschaal in een kerk is er om geld in te zamelen voor arme mensen in de kerk zelf en daarbuiten, voor het onderhoud van het kerkgebouw, voor het salaris van de dominee of pastoor… het gebruik van de collecte is er gekomen door de idee van caritas die belangrijk is in het christendom: sociale zorg voor andere mensen. Deze idee van zorg lag ook aan de basis van vele hospitalen, scholen, enz.

  ICHTUS is het Griekse woord voor vis. Elke letter staat voor een woord dat samen dan ‘Jezus Christus, Zoon van God, Verlosser’ vormt. De vis verwijst ook naar het verhaal van Jona. Hij wordt ingeslikt door een grote vis nadat hij God ontrouw was. In de maag van de vis komt Jona tot inkeer en de vis spuwt hem terug uit. Daarna volgt Jona Gods raadgevingen wel op.
De Haan zie je soms bovenaan een kerktoren staan. De haan kraait aan het begin van de dag, bij het doorbreken van het nieuwe licht en symboliseert de opstanding, het nieuwe leven van Jezus Christus.  

Feesten
Enkele belangrijke feesten in een christelijk jaar:

  • Kerstmis: men viert de geboorte van Jezus, Zoon van God. Kerstmis valt elk jaar op 25 december.
  • Aswoensdag: start van de vastenperiode. De vasten is een periode van inkeer waarbij de gelovige meer tijd maakt om zijn geloof te verdiepen, om te bidden en zich voor te bereiden op Pasen. In 2006 viel Aswoensdag op 1 maart.
  • Palmzondag: Deze dag herinnert aan de intocht van Jezus in Jeruzalem, waarbij mensen hem met palmtakken verwelkomden. In 2006 viel dit feest op 9 april.
  • Witte Donderdag: herdenking van het laatste avondmaal, waar Jezus de voeten wast van zijn apostelen, als teken van de liefde en dienstbaarheid, waar hij het brood breekt en zijn “testament” doorgeeft: “Vader, dat allen mogen een zijn!” Witte donderdag viel in 2006 op 13 april.
  • Goede Vrijdag: herdenking van en stilstaan bij Jezus’ dood aan het kruis. In 2006 viel deze dag op 14 april.
  • Pasen: men viert de verrijzenis van Jezus uit de dood. In 2006 werd dit op 16 april gevierd. Orthodoxe Kerken vierden Pasen op 23 april.
  • Hemelvaart: veertig dagen na Pasen: men herdenkt de opstijging tot de Hemel van Jezus, nadat hij aan veel verschillende mensen verschenen is. In 2006 valt dit feest op 25 mei.
  • Pinksteren: vijftig dagen na Pasen: de apostelen krijgen de “heilige geest”, de geest van God, en ze beginnen de “goede boodschap” van Jezus’ leven en verrijzenis aan mensen van alle landen en talen te verkondigen. Dit wordt in 2006 op zondag 4 juni gevierd. De orthodoxe Kerk viert het op 11 juni.

Feesten voor kinderen:
Om een kind op te nemen in de christelijke gemeenschap en te laten intreden in een persoonlijke relatie met God, ondergaat het drie inwijdingssacramenten:

  • Doopsel: het kind wordt driemaal ondergedompeld of gezegend met water. Hiervoor verzamelen de mensen zich rond de doopvont in de kerk.
  • Vormsel: het zegel van de Heilige Geest.
  • Eucharistie of communie of avondmaal

Oorspronkelijk vonden deze drie sacramenten plaats in één viering, één of twee maanden na de geboorte. Vandaag heeft elke Kerk haar eigen gebruiken.
In de Orthodoxe Kerk is de praktijk niet veranderd en vinden doopsel, vormsel en eucharistie in één viering plaats, enkele weken na de geboorte.
In de Rooms-Katholieke Kerk wordt een kind nog steeds gedoopt kort na de geboorte, maar vinden de andere twee op latere leeftijd plaats. De eerste communie, of eerste deelname aan de eucharistie, gaat door op zeven of achtjarige leeftijd. Het plechtige vormsel gaat meestal door op twaalf jaar.
In de Protestantse Kerk worden vooral de sacramenten doop en avondmaal benadrukt. Er kan een kinder- of volwassendoop zijn. Kerken die de volwassendoop zijn. In kerken die de volwassendoop volgen, worden de kinderen opgedragen, wordt voor hen gedankt, meestal kort na de geboorte. Kerken die de kinderdoop hanteren, kennen nog een belijdenis op willekeurige leeftijd. In de belijdenis zegt men Christus te willen volgen en tot de Kerk te willen behoren. De eerste deelname aan de eucharistie, of het avondmaal, wordt niet als een inwijdingsritueel gezien. Kerken verschillen welke voorwaarden ze gebruiken voor iemand kan deelnemen aan het avondmaal. Protestanten zien het vormsel niet als een sacrament of inwijdingsritueel.

Katholicisme

De Rooms-katholieke Kerk neemt de centrale organisatie van de katholieken op zich en geeft spiritueel leiderschap. De Kerk wordt geleid door de paus in Rome, bijgestaan door raadgevers. Per land heeft de Kerk aartsbisschoppen, dan bisschoppen (per bisdom) en ten slotte priesters (per parochie).
Per parochie is er steeds een groep mensen die het leven van de lokale gemeenschap draagt. Dit is het pastorale team. Het zijn leken mannen en vrouwen die stilstaan bij het evangelie, bijzondere vieringen voorbereiden en andere praktische taken op zich nemen.

Enkele begrippen

  Katholieke christenen bidden in kerken. De belangrijkste kerk van de streek is de kathedraal omdat daar de bisschop zetelt. Christenen komen in de kerk samen om zondag of een ander feest te vieren. Ook naast zondagen en feestdagen worden soms vieringen gehouden, om de Heer te danken, te bidden…
De pastoor is een voorganger tijdens vieringen. Hij is steeds een man. Hij heeft plechtig beloofd niet te trouwen om beschikbaar te zijn voor de gemeenschap. Hij wordt aangesteld door een bisschop

Katholieke Kerk
Het altaar heeft een centrale plaats. Tijdens een eucharistieviering zal de pastoor hierachter plaatsnemen.
In een katholieke kerk zal je 14 schilderijen of beeltenissen zien die de lijdensweg van Jezus afbeelden. Dit is de weg die hij aflegde met het kruis in zijn armen tot aan de plaats van veroordeling.
Het tabernakel is de plek waar de hosties bewaard worden. Hosties zijn kleine ronde stukjes brood, heel dun en plat, gebakken zonder deeg. De hostie staat symbool voor het lichaam van Christus. Tijdens een eucharistieviering krijgt elke gelovige een hostie, ter nagedachtenis van Jezus die zich helemaal geeft.
Op de preekstoel deden de priesters vroeger hun preek, nu wordt die niet meer gebruikt.
  De biechtstoel is de plaats waar de pastoor de biecht afneemt van de gelovigen: ze vertellen wat ze fout deden en horen van de pastoor de opdracht voor boetedoening, waarna de zonden vergeven worden.
De laatste tijd neemt de biecht dikwijls de vorm van een dialoog, van een gesprek aan.
Een doopvont is belangrijk bij doopsels, het sacrament waarbij mensen (meestal kleine kinderen) worden opgenomen in de gemeenschap van christenen.  
  Dikwijls wordt op het kruisbeeld van de katholieken de stervende Christus afgebeeld.
Je kan in een kerk ook een Mariabeeld zien. Een afbeelding van Maria, de moeder van Jezus, dikwijls met Jezus als baby op de arm.  
Er kunnen nog andere heiligenbeelden zijn, vb. van Petrus, een apostel van Jezus, of andere mensen die belangrijk zijn geweest in de geschiedenis van het christendom.

Orthodoxie
Orthodoxe christenen vinden het innerlijke leven, het gemeenschapsleven zeer belangrijk. De Heilige Geest is een centraal gegeven. Liturgieën kunnen twee à drie uren duren. Het zijn uitnodigingen voor een heel persoonlijk of net een gemeenschappelijk gebed.
De orthodoxe Kerk heeft een aantal lokale kerken die dikwijls nationaal georganiseerd zijn. Deze Kerk heeft enkel een spirituele rol, een moreel leiderschap. Men maakt (in moeilijke woorden) een onderscheid tussen autocephale kerken en autonome kerken. Autocephale Kerken zijn Kerken met een eigen hoofd; ze worden geleid door een patriarch. Zo is er het patriarchaat van Moskou of van Griekenland. Autonome Kerken zijn kerken die een eigen organisatie hebben, maar voor de aanstelling van bisschoppen afhangen van een patriarchaat. Zo zijn er bijvoorbeeld de Kerken van Finland en van Estland. Naast deze verschillende organisaties, zijn er ook nog groepen die los van een patriarchaat leven, bijvoorbeeld in Azië en Amerika.

Orthodoxe kerk
In een orthodoxe kerk krijgt het altaar de centrale plaats, het staat in een heilige ruimte waar leken niet binnen komen. De liturgie is een uitnodiging tot persoonlijk gesprek met God. Er wordt veel gezongen, harmonisch, zonder instrumenten te gebruiken.
In een kerk zal je veel iconen, fresco’s en mozaïeken vinden.
Het orthodoxe kruis heeft drie dwarsbalken, de bovenste en de onderste zijn iets korter dan de middelste.

Protestantisme
In het protestantisme ligt alle gezag in de bijbel als het woord van God. Jezus, zoon van God, is de enige mens die men mag aanbidden.
Beslissingen worden genomen van onderuit, in overleg tussen de leden van de gemeenschap. Binnen de organisatie van het protestantisme zijn er wel enkele ‘bijzonder ambten’: dominees, ouderlingen en diakens. Elk van die ambten kan ingevuld worden door een man of een vrouw.
De dominee of predikant is de voorganger bij gezamenlijke gebedsdiensten.
De ouderling is vooral pastoraal actief: hij/zij onderhoudt het contact met de gelovigen, vaak heeft deze persoon een extra taak als secretaris
De diaken staat ten dienste van de gemeente. Hij/zij organiseert allerhande activiteiten ten voor dele van de gemeenschap.
Samen vormen deze drie ambten de kerkenraad, het hoogste beslissingsorgaan binnen een gemeente.

Protestantse kerk
De protestantse kerk wordt gekenmerkt door een grote soberheid en eenvoud in de eredienst en in de kerkgebouwen.
Centraal in een protestantse kerk vind je een preekstoel (of kansel) waarop de bijbel ligt. Het is de plaats waarop zondag de dominee de preek houdt.

Protestanten gebruiken geen afbeeldingen in hun kerken, ook niet van Christus.

  Het kruisbeeld van protestanten is een eenvoudig houten kruis, zonder Jezusfiguur.
Je vindt een doopvont, waar kleine (maar soms ook grote) mensen gedoopt worden. Je zal altijd op latere leeftijd zelf je geloof moeten belijden/onder woorden brengen
  Je vindt in de kerk een Avondmaalstafel waaraan (soms dagelijks, soms één keer in de week, maand of jaar) het avondmaal gevierd wordt. Men eet dan met elkaar brood en neemt een klein slokje wijn, vaak uit eenzelfde beker. Men doet dit om het laatste avondmaal van Jezus en zijn vrienden te gedenken, op de avond voor zijn dood.